Werklandschappen van de Toekomst?

Scherp gesteld bestaan er drie typen werkgebieden: het ideaalbeeld van Werklandschappen van de Toekomst, de anonieme werkgetto’s en daartussenin de klassieke bedrijventerreinen.

De huidige situatie
De Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur (RLi) adviseerde eind oktober 2023 de regering om “zo snel mogelijk meer werk te maken van het ondersteunen van ondernemers”. Het advies richt zich op verduurzaming en georganiseerde samenwerking, bijvoorbeeld via parkmanagement. Bij dit soort oplossingen wordt vaak voorbijgegaan aan de zakelijke positie van ondernemers én aan de fysieke inrichting van bedrijventerreinen. Hier raken private belangen en publieke verantwoordelijkheden elkaar.
Van de circa 3.400 bedrijventerreinen in Nederland is het merendeel klassiek opgezet: aan de rand van gemeenten, functioneel en strak ingericht. Ondernemers zijn primair gericht op kostenbeheersing en bedrijfscontinuïteit. Duurzaamheid wordt pas relevant wanneer het economisch noodzakelijk of aantrekkelijk is. Op dit moment staat vooral de energievoorziening onder druk, met name bij nieuwe terreinen.
Samenwerking is alleen aantrekkelijk als deze tijd of geld bespaart. Wanneer het vooral tijd kost, ontbreekt de animo.

Wat wringt er?
Een ondernemer op een traditioneel bedrijventerrein bezit een pand op eigen grond. Soms is er ruimte voor parkeren, misschien een strook gras of enkele struiken. De gemeente beheert de wegen en infrastructuur. Esthetiek en vergroening zijn meestal minimaal: veel steen, veel asfalt.
Intussen nemen hitte, wateroverlast en droogte toe. Daarnaast groeit de wens om bedrijvigheid beter te integreren in de stedelijke omgeving. Plannen worden gemaakt, ondernemers worden uitgenodigd om mee te denken. En daar ontstaat stagnatie. Niet vanwege onwil, maar vanwege een fundamentele mismatch.

De structuurfout
Bestaande bedrijventerreinen zijn ontworpen in een tijd waarin klimaatadaptatie, biodiversiteit en gezondheid niet of nauwelijks ontwerpcriteria waren. Werklandschappen van de Toekomst zijn gebaseerd op een geheel andere logica: integratie van werken, leren, verblijven, vergroening en energie-infrastructuur. De fout is dat van ondernemers wordt verwacht dat zij hun gedrag aanpassen binnen een infrastructuur die daar niet op ingericht is.
Een vergelijking: als ouders bezorgd zijn over bewegingsarmoede bij hun kinderen, werkt het niet om simpelweg te zeggen dat ze meer moeten lopen en niet meer met de auto naar school mogen. Er zijn veilige routes nodig, een fiets, goede infrastructuur. Eerst moet de route kloppen, daarna volgt het gedrag. Zo ook hier: eerst moet de publieke infrastructuur worden herzien, daarna kan private verduurzaming volgen.

Wat is dan nodig?
Een gemeente zou moeten starten met een integraal innovatieplan voor herziening van de infrastructuur van een bedrijventerrein. Dat omvat; wateropvang en -buffering, groenstructuren, mobiliteit, energie-infrastructuur, verblijfsruimte.
Wanneer ondernemers zien dat de publieke basis verandert, ontstaat inspiratie én vertrouwen. Dan wordt vergroening van eigen terrein een logische volgende stap in plaats van een losse verplichting.

AI gegenereerd

Werklandschappen van de Toekomst
IVN Natuureducatie nam het initiatief om middelen uit het Nationaal Groeifonds in te zetten voor Werklandschappen van de Toekomst. Het begrip ‘werklandschap’ is een toekomstgerichte herdefinitie van het klassieke bedrijventerrein.
In bijeenkomsten rond WvdT worden plannen ontwikkeld die verder gaan dan vergroening alleen. Er wordt gesproken over integratie van werken, leren, wonen en ontspannen. Voor nieuwe gebieden kan dit realistisch zijn. Voor bestaande terreinen is het al een stap vooruit als substantiële vergroening en klimaatadaptatie worden gerealiseerd.

Wat overtuigt?
Argumenten over klimaatadaptatie en gezondheid zijn belangrijk, maar niet voldoende.
Overtuiging ontstaat vooral door te laten zien dat het kan, en hoe het kan.
Concrete voorbeelden, pilots en showcases zijn essentieel. Initiatieven zoals die van Platform Economie & Ruimte en ClimateMatters dragen daaraan bij. Zo bracht ClimateMatters in Haarlem op het Maakterrein vergroening op gang door 30 parkeerplekken te transformeren tot een miniparkje.

Conclusie
Werklandschappen van de Toekomst zijn geen fictie. Maar ze zijn ook geen optelsom van individuele ondernemersinitiatieven. Zonder fundamentele herziening van de publieke infrastructuur blijft het een visie. Met een aangepaste basis kunnen ze uitgroeien tot haalbare, aantrekkelijke en economisch sterke werkgebieden.